fbpx

Artistieke inspiratie
en overdenkingen
van Hanna van Mourik Broekman

Mijn vriend rijdt al een aantal jaar op een airwheel. Dat is één wiel met twee klepjes waarop je kan staan. Als je naar voren leunt ga je vooruit en achterover rem je. Vaak geniet ik door er achteraan te rijden omdat dat mij al de omkijkende blikken oplevert. Vanuit een raam kan je voor een seconde denken iets goddelijks voorbij te zien vliegen. Maar wat moeten wij hier als samenleving mee? Is het veilig? Is het een voetganger, een fietser of motorvoertuig? Voorrang of geen voorrang. Omdat onze regelgeving hier niet mee om kan gaan verbieden we het maar. ‘Alleen te gebruiken in de eigen achtertuin.’

De maatschappij verandert in zo’n rap tempo dat de buitengewone actie om voorovergebogen met een dopje in je oor de pinpas langs de kassa te laten glijden, zonder ook maar gezien te hebben wie jou deze service verleent, iets is waar we niet meer van opkijken. En om een extremer voorbeeld aan te halen, de mogelijkheid om computers effectiever en slimmer te laten zijn dan mijzelf benauwd mij in hoe dat mijn perceptie op de waarden van mijn leven kan veranderen. Wellicht ben ik die computer zelf. Met een gehoorapparaat heb ik een eerste stap gezet in het robotiseren van mezelf en ondertussen vindt iedereen deze gedacht aanstellerig overdreven want niks zo gewoon als een gehoorapparaat. Soms kunnen we als maatschappij de ontwikkelingen niet meer bijbenen, zoals een airwheel die we niet kunnen terugvinden in onze wetgeving.

 

In 2015 begon ik het werk van de cultuursocioloog Pascal Gielen te lezen. In zijn werk haalt hij de communicatiewetenschapper Paul Watzlawick aan die aantoont dat een individu leert door de aaneenschakeling van ontmoetingen en samenwerkingen. Een maatschappij is niet een objectieve werkelijkheid maar een optelsom van duizenden subjectieve werkelijkheden van individuen.Elk individu construeert, al vanaf zijn/haar geboorte in de dagelijkse omgang met de wereld om zich heen zijn/haar werkelijkheid. Deze gevormde werkelijkheid ervaar je als ‘waarheid’ zodra maar voldoende mensen in de directe omgeving overtuigd zijn dat dit beeld de ‘waarheid’ weergeeft. Een dergelijke gedeelde werkelijkheidsconstructiegeeft het idee dat de wereld ook daadwerkelijk zo is en dat daarmee dus definitieve zekerheid is bereikt. Dat iemand met een andere perceptiejouw waarheid onderuit zou kunnen halen kan tot extreme onzekerheid leiden die tot woede over kan gaan. De terroristische daad is hiervan een absurde uitvergroting. In andere woorden; interactie vormt onze perceptie op onze samenleving maar stuurt ons ook richting de mensen die onze eigen perceptie delen.Als onze maatschappij bestaat uit miljoenen individuen die allemaal anders naar de werkelijkheid kijken dan is de wet en daarmee de overheid (zeker nu religie in Nederland geen belangrijke gids meer is) een belangrijke richtingsaangever.

Dankzij de wet kunnen we zeggen dat mag wel of dat mag niet. Ik ervaar het als vervreemdend als een overheid de taak overneemt van het vormen van mijn normen en waarden. Ik wil niet dat zij voor mij beslissen dat het gezin de hoeksteen van mijn samenleving is. Een voltooid leven is ook niet vast te leggen in cijfers. En als ik het dan ergens niet eens mee ben wil ik niet op een verdomhoekje op het Malieveld protesteren en het gevoel hebben dat mijn mening er niet toe doet. Helaas bemerk ik desondanks dat ik vaak achteroverleun en bij het minste of geringste mijn vinger naar de overheid laat wijzen. Zij zullen wel wetgeving voor maken en mij dus sturen. En tegelijk bedenk ik; het lijkt een open deur maar soms vergeten we dat naast regels die ontmoeting, waar Watzlawick over sprak, het even, of misschien wel belangrijker is om onze opvattingen over normen en waarden te vormen.

 

De rol van kunst;

Kunst werd gedurende de economische crisis vaak disfunctionaliteit verweten. Waarom zouden wij geld investeren in iets dat niet daadwerkelijk weer geld oplevert. Stel dat kunst geluk oplevert, wat is dan geluk? Kunnen we dat in cijfers omzetten, in Bruto Nationaal Geluk? En levert geluk dan weer geld op? Met deze vragen plaatsen mensen onbewust de economie op nummer 1. Als die maar draait blijft onze samenleving draaien. Maar een economisch land zonder schoonheid, ontmoeting of reflectie is een uiterst akelige en schrale vlakte. Dat wat de kunst soms wordt verweten is juist zijn kracht.
Het is een ruimte die buiten de economische kaders valt. Kunst kan de tegenhanger zijn in een wereld die zoveel om werk, geld en functionaliteit draait. Maar wat is daarbinnen dan de precieze rol van die kunst? Dit is een van de belangrijkste vragen die ik mij als kunstenaar stel. Maar het antwoord is niet gemakkelijk. Toch doe ik een poging.

 

De sociale rollercoaster;

Ik heb de ander nodig. Om te lachen, om te bouwen, om te vragen en te reageren, om voort te planten, van mening te veranderen en te leunen. Maar wie is die ander. Meestal is dat mijn geliefde, een vriend of collega. De mensen die ik vaak door en door ken, waar ik mij vertrouwd bij voel. Maar die onbekende ander dan, die staat (te) ver weg. Die onbekende ander vind ik vaak eng. Er is geen grotere drempel dan die voor de voeten van een onbekend iemand en vaak daarmee een onbekende groep mensen. Die onbekende vraag je niet zomaar op straat om zijn mening over de kleren die je draagt of in een kroeg over de keuzes in je leven. Ik noem die drempel de sociale rollercoaster. Tegen heug en meug verzet ik mij, onnatuurlijk word ik in een karretje omhoog gesleept, ik kijk op tegen het hoogste punt, daar waar de ontmoeting met de ander plaats vindt. Maar op het moment dat hij plaats vindt, voel ik adrenaline, spanning, ik schiet in onbekende vaart naar beneden, een wervelstorm aan gevoelens, niet duidelijk of ze aangenaam of beklemmend zijn. Maar eenmaal beneden na de draaierigheid voel ik mij zo voldaan. Die ontmoeting met die ander herstructureert mijn hele sensatiepalet. Vanbinnen juich ik als een marathonloper die over de finish der empathie komt.  Terug naar Watzlawick denk ik dat een samenleving die zich vormt door sociale invloeden, geneigd is om, uit angst voor het onbekende, onze subjectieve werkelijkheid voornamelijk te vormen met onze naasten, diegenen die onze werkelijkheidsconstructie bij voorbaat al beamen. Daarmee wordt onze werkelijkheid een gigantische vesting waar geen kanonskogel doorheen kan komen.

 

De onbekende ander;

Enkele jaren terug las ik het artikel ‘the natural vs. the human sciences ‘, hierin stelt de filosoof Rögnvaldur D. Ingthorsson dat de mens bij zijn geboorte een biologisch wezen is maar daarna wordt gevormd door sociale invloeden en daardoor een sociaal bouwwerk wordt. Deze zin kreeg daadwerkelijk leven voor mij na het lezen van het boek ‘De stad der blinden’ van Jose Saramago. In ‘De stad der blinden’ verliest een gehele stad zijn zicht. Nauwkeurig wordt omschreven hoe een samenleving het dunne laagje fatsoen verliest op het moment dat er geen oog meer is voor de ander. Dit bracht mij op de gedachte dat elkaar en elkaars leven kunnen ‘zien’ en ‘inzien’ een belangrijk ingrediënt voor empathie is en dat die empathie voor de kaders zorgt voor onze sociale omgang, naar mijn mening de basis van een goede samenleving. Dit idee deed mij beseffen dat we ons nooit kunnen neerleggen bij ‘De aard van het beestje’. Ieder mens blijft zich ontwikkelen zolang hij zich openstelt voor sociale invloeden, zolang hij ziet of wordt gezien. 

 

Gedurende mijn werk verdiep ik me in groepen mensen die ik ‘De vergeten mens’ noem. Door mijn werk besef ik me steeds meer dat naast de basisbehoeften er één aspect werkelijk van belang is om te leven en dat is gehoord en gezien worden. Als je stem in een ravijn tegen de muren weerkaatst en terugkomt kan je hoogstens even verbaasd zijn maar nooit ervaar je de sensatie die voortkomt uit een gemaakte grap of een zinvolle opmerking waarom gelachen wordt of die extra betekenis geeft. Deze ervaring werd voor mij concreet in een community art project in 2016, waarbij ik in de wijk Aldlan in Leeuwarden een theatraal-toeristische tour door de wijk maakte. Een jongen vertelt hoe zijn slaapkamer eruitziet en een professionele illustrator tekent die kamer aan de hand van zijn verhaal. In eerste instantie snapt de jongen de belangstelling voor zijn kamer niet. Uiteindelijk is hij verrast door de liefde en detail waarmee z’n verhaal is verwerkt. Hij voelt zich gehoord en gezien. Zijn verhaal is onthouden. Een simpele slaapkamer is kunst geworden. Hij doet ertoe.

 

Stel dat je zijn verhaal in een theatraal-toeristische tour als een ontmoeting kan zien.Kan een ontmoeting dan een aanpassing in het bewustzijn zijn en is elke bewustwording een aanpassing in het sociale frame van een mens? 
Wellicht zijn deze aanpassingen zo klein dat we ze niet kunnen waarnemen. Zoals wij ook de evolutie niet kunnen waarnemen, alleen door miljoenen jaren geschiedenis te observeren. Maar stel dat deze aanpassingen dus daadwerkelijk een ontwikkeling in gang houden, dan ligt er een belang in het openstellen van mensen voor werkelijkheidsconstructies van anderen om je eigen werkelijkheidsconstructie aan te passen. Nu kun je je afvragen waarom je je zou laten confronteren met de perceptie van een ander. Ik denk dat als de mens zich overgeeft aan zijn natuur hij zich vanuit gemakzucht steeds meer zou terugtrekken in een vesting waar mensen leven die zijn mening delen. En voor alle behoeften kan er anoniem via internet worden bestellen, geregeld, gewerkt en plezier worden ervaren. Zo ontstaan er onoverbrugbare kloven tussen groepen mensen.

Als je kijkt naar de conclusie die Piketty in zijn boek Capital in the Twenty-First Century maakt zou deze kloof extreem gevaarlijk zijn voor de democratie. Maar Piketty heeft het hier over een financiële kloof. Ik spreek over een sociale kloof.Wellicht is het belangrijkste aspect dat we dan niet meer leven in een samenleving maar in een apartleving.

En als je dat beeld in extreme doorzet dan is dat niet een maatschappij waarin ik wil leven.
Dus moet en wil ik kleine gaatjes slaan, die later grote poorten kunnen worden, in de vestingen van verschillende groeperingen. Dit lijkt me gezien de ontwikkelingen in onze huidige maatschappij een belangrijk streven.


Tussen realiteit en autonome kunst;

Ik zie schoonheid in het ontstaansproces, daarin zit een werkelijkheid die even lelijk als mooi is. Het onbewaakte moment van de hotdog etende voorbijganger waarbij een foto af zou doen aan het moment omdat hij ontroert als onderdeel van een langer verhaal. Net als een stotterend iemand die geen antwoord vindt op een vraag. Maar dan moeten we kunst wel dat langere verhaal bieden, als een proces willen zien. Dit is, vind ik iets van kunstenaar en publiek samen. Ik kan niet eisen dat een publiek dat spontaan gaat doen. Ik kan wel de samenwerking tussen kunstenaars, publiek, recensenten en financiers proberen te veroorzaken. Door te beginnen bij mezelf, door te durven vallen en opstaan om zo (een beetje) bij te dragen aan een samenleving die ook het vallen als schoonheid wil zien.

Voor mij zijn de gangbare afspraken binnen het theater niet afdoende. We zijn, meer dan we bewust zijn, gewend aan de klassieke theateropstelling. Foyer, jas ophangen, kaartje kopen, zaal inlopen, op een stoel zitten, licht gaat uit en je laten meeslepen. Het poëtische verhaal in een klassiek kader vind ik belangrijk in onze culturele beleving, maar als kunst ook de rol heeft zich in een cultuur af te scheiden van een norm en daarmee nieuwe beleving te creëren dan wil ik verder kijken dan de klassieke beleving van kunst en heeft kunst voor mij de kracht om de sociale rollercoaster in gang te zetten en te houden. Ik vind het belangrijk dat de mens wordt gezien en gehoord buiten de geijkte paden.

 

In 2016 volgde ik een master over de principes van community art. Wat mij verraste was dat community art als een volledig andere kunstvorm dan theater wordt gezien. In, wat werd genoemd hardcore, community art wordt gesproken over mede eigenaarschap van deelnemers. Dit kun je zien als dat hun inbreng gelijk aan of wel boven die van jou als kunstenaar wordt gesteld. Daarmee heeft community art als doelstelling om de deelnemers zelfbeschikking te geven. Om even terug te komen op de getekende slaapkamer van de jongen, dit kunstwerk leverde een boost voor het zelfvertrouwen van deze jongen op en heeft daarmee zijn doelstelling behaald. Maar wat is de waarde voor een derde persoon, een publiek als er geen kwalitatief kader wordt gegeven die je een nieuwe gedachte of beleving kan geven?


Dit is precies voor mij een gemis aan de werkvorm van community art zoals deze aan mij werd voorgesteld. Mijn professionele en kritische kracht als kunstenaar wordt aan de kant gezet terwijl ik vind dat kunst juist kwalitatief, kritisch en schurend moet zijn. Bij mij zingt dan de zin van de Belgische beeldend kunstenaar Thierry De Cordier in mijn achterhoofd “The social will be the death of you”. Hij stelt hiermee dat je je ten allen tijden moet afsluiten van sociale invloeden omdat het je pure kunstenaarschap in de weg zit. Maar het gevaar van deze opmerking vind ik dat het je zwart wit laat kijken. In de beeldende kunst kan men spreken van pure autonome kunst. Maar is theater per definitie niet alleen maar autonome kunst omdat het een live gebeurtenis is tussen een publiek en performers? Dit brengt mij bij het waardevolle aspect aan de community art namelijk dat het er vanuit gaat dat je gelijk staat aan de ander. Deze opstelling is in elke ontmoeting een waardevolle en menselijke noodzaak. Voor mij is elke botsing van mijn perceptie met die van een ander een kunstwerk op zich. En door deze ontmoetingen als kunst te bekijken kan het sociale gevoed worden vanuit mijn autonomie als kunstenaar.

Er zit een groot gebied tussen de sociale kunst zoals community art en de autonome kunst van Thierry De Cordier. Laten we die ruimte een open ruimte noemen. Ik denk dat Adelheid Roosen een belangrijk voorloper is van een theaterkunstenaar die belangrijke stappen heeft gezet (letterlijk en figuurlijk) in deze open ruimte. Wat zij doet is naar mijn mening een rode loper uitrollen onder de straatlantarens, op plekken waar we anders nooit komen. Ze geeft belang aan die ruimte en aan mensen. Ze doet dit door een poëtisch kader te creëren waarbij de drempel van de sociale rollercoaster lager wordt. Ze verleidt je om de dialoog aan te gaan met dat wat je niet kent. En doormiddel van poëzie, via artistieke ingrepen, dwingt ze je om gericht naar een punt te kijken.

Een andere kunstenaar met een enorme sociaal maatschappelijk engagement is Dries Verhoeven, die zijn werk vaak letterlijk in de openbare ruimte plaatst. In ‘Wanna play?’ nodigt hij in glazen box op een plein mannen uit die hij op Grindr vindt om met hem te daten. Deze openbare performance schuurt dermate dat het een interactie uitlokt over hoe wij met intimiteit en de openbare ruimte omgaan. In Guilty Landscapes laat hij een publiek interacteren via een beeldscherm met een onbekend iemand op een ander continent. Of deze ander nu werkelijk daar is of een acteur is die volgens regieaanwijzingen van Dries Verhoeven werkt is voor mij minder van belang.
In alle voorgaande voorbeelden wordt er met veel impact gesleuteld aan ieders en aan mijn bewustzijn.
Mijn werk valt in vele opzichten inhoudelijk niet te vergelijken met het werk van Roosen of Verhoeven maar we zijn wel ieder op zoek naar nieuwe vormen waarbij we niet meer vast te pinnen zijn op één plek in het spectrum tussen sociale en autonome kunst.

 

Een open sociaal-artistieke ruimte;

We praten elke dag met verschillende mensen maar laten ons lastig raken of beïnvloeden.
Mijn artistieke uitdaging is hoe je een dialoog tussen een publiek zo kadert dat je als kunstenaar een autonoom statement kunt maken. Want als er iets niet valt te regisseren dan is het wel de werkelijkheid. En dat spanningsveld is voor mij essentieel. Daarmee ligt mijn zoektocht in de ruimte tussen het sociale en het autonome, ik wil mijn theater van betekenis laten zijn. Mezelf samen met mijn publiek steeds begeven in een sociale rollercoaster, waarin iedereen even gelijk en onbeholpen is. 

Een belangrijk onderdeel van mijn werk is dat ik mijn proces tot het maken van een voorstelling zo veel mogelijk en zo vroeg mogelijk openbaar maak. Ik zoek naar een oprechte ontmoeting, daar waar geen voorbedachte theatrale rade bestaat. De onbekende ander is namelijk niet te regisseren maar valt wel te leren kennen. Al in een vroeg stadium spiegel ik mijn visie, mijn keuzes, vooroordelen of gedachten via Stormkamers met anderen. In Stormkamers breng ik verschillende individuen, mijn publiek en mijn acteurs, samen rondom een thema. Ik experimenteer met theatrale vormen om een dialoog te kaderen maar onderzoek ondertussen ook de confrontatie van percepties, als theatraal antropologisch veldwerk.

 

Ik wil vorm en inhoud geven aan de sociaal-artistieke ruimte in onze samenleving. Kunst heeft daar voor mij een grote rol in. Ontmoeting is een belangrijk aspect in de kunst, kunst kan ruimte creëren voor sociale invloeden door ontmoetingen poëtisch te kaderen. Om het anders te zeggen, het geregisseerd samenbrengen van verschillende werkelijkheidsaanhangers en de botsingen daartussen kunnen een nieuwe werkelijkheid doen ontstaan.

Het belang van kunst is voor mij de confrontatie van een persoon met die van een ander om zo onze sociale vesting neer te halen en onze percepties aan te passen. Een belangrijk aspect daarin is de daadwerkelijke confrontatie van mensen met elkaar. Zodra ik mij in een rode pluche zetel bevind en kijk naar een theatervoorstelling heb ik nauwelijks door wie er naast me zit. Maar als ik daadwerkelijk geconfronteerd wordt met zijn/haar visie pas dan word ik uit mijn vesting gelokt. Als een storm die verscheurt maar in het oog van die storm bestaat volledige windstilte en geluidloosheid. In deze stilte kijk je de ander in de ogen en zie je meer dan de vormen en kleuren van zijn/haar lijf.

 

Als we naar de schilderkunst kijken zou je kunnen stellen dat elk kunstwerk vraagt om een bewuste keuze van een lijst, ook als er geen lijst om heen zit. Deze keuze geeft het kunstwerk een bestaansrecht, het recht om bekeken te worden, waarbij het ene kunstwerk vraagt om een glinsterend goud framewerk en de ander om een strak zwart kader op een gigantisch witte muur. Stel dat je deze gedachte als metafoor doortrekt naar theater waarbij een mens het kunstwerk is. Ieder mens beschouwen als een kunstwerk is dan niet alleen een kwestie van hoe je er een licht op zet of een decor achterplaats dat je met zorg naar dat kunstwerk laat kijken. Over het algemeen plaatsen wij een acteur in dat frame waarbij we die precies geregisseerd een verhaal laten overbrengen. Maar stel dat wij met dat frame ook bestaansrecht geven aan een niet geregisseerd individu of aan individuen uit het publiek.
Een acteur kan dan een poëtisch kader geven dat je bijvoorbeeld naar dat individu laat kijken als arbeidend wezen en je confronteert met de vooroordelen over kleding als typering van een beroepsgroep. Voor deze confrontatie is de publieksopstelling een belangrijke keuze, namelijk tegen over elkaar en niet in het donker. Dit is niet per se een vernieuwende gedachte. Wat ik spannend eraan vind is het besef dat het tegen een heilig huisje schopt, dat de acteur, het verhaal, de poëzie of schoonheid een middel wordt om het publiek zich open te laten stellen. De acteur is dan het frame en het daadwerkelijke kunstwerk is het publiek met hun woorden die meer kunnen zeggen dan een perfect geschreven gedicht.

Schuiven naar boven